Netherlands Journal of Legal PhilosophyAccess_open

Miscellaneous

De onschuld voorbij

Jeff McMahans Killing in War

Keywords just war, non-combatant immunity, self-defense
Authors
Show PDF Show fullscreen
Abstract Author's information Statistics Citation
This article has been viewed times.
This article been downloaded 0 times.
Suggested citation
Koos ten Bras and Thomas Mertens, "De onschuld voorbij", Netherlands Journal of Legal Philosophy, 1, (2011):64-74

    Jeff McMahan, one of the leading contemporary writers on ‘just war thinking’, argues in the book under review, Killing in War, that one of the central tenets of the ‘ius in bello’, namely the moral equality of combatants, is both conceptually and morally untenable. This results from a reflection upon and a departure from two basic assumptions in Walzer’s work, namely the idea that war itself isn’t a relation between persons, but between political entities and their human instruments and the idea that the ‘ius ad bellum’ and ‘ius in bello’ are and should be kept distinct. This book merits serious reflection. However, the disadvantages of McMahan’s position are obvious. If the rights of combatants during war depend on the justice of their cause, the immunity of the civilians on the side of the supposed ‘unjust’ enemy is seriously endangered.

Dit artikel wordt geciteerd in

    • 1 Inleiding

      Over de oorlogsfilosofie van Jeff McMahan1xJeff McMahan, Killing in War (Oxford: Clarendon Press, 2009). schreef de Amerikaanse filosoof Michael Walzer in 2006: ‘I don’t deny its perceptiveness; I only want to deny its relevance to the circumstances of war.’2xMichael Walzer, ‘Response to McMahan’s Paper,’ Philosophia 34 (2006): 43­45. Volgens Walzer, zonder twijfel de meest gelezen hedendaagse oorlogsethicus en auteur van het standaardwerk Just and Unjust Wars, kan de zienswijze van McMahan geen invloed hebben op de gang van zaken op het slagveld. Daarin zou Walzer wel eens ongelijk kunnen hebben. Want al in 2005 verscheen een artikel waarin een centrale stelling wordt betrokken die dicht lijkt te staan bij de zienswijze van McMahan.3xWij zijn niet de enigen die dat denken, zie: <www.jeremiahhaber.com/2009/04/michael-walzers-proxy-war-against-jeff.html>. Een interessante en relevante toegang tot diens ‘oorlogsfilosofie’ is dus mogelijk door te kijken naar dat artikel en de discussie die het teweeg bracht.

      De Israëlische legergeneraal Amos Yadlin publiceerde in samenwerking met de Israëlische ethicus Asa Kasher een artikel over hoe om te gaan met terrorisme.4xAsa Kasher en Amos Yadlin, ‘Assassination and Preventive Killing,’ SAIS Review XXV (2005) 1. Het artikel formuleerde morele richtlijnen voor de strijd tegen het terrorisme en ging daarom ook in op de praktijk van het zogenaamd ‘targeted killing’. Bij dat laatste gaat het om het gericht uitschakelen, door middel van militair geweld, van al dan niet vermeende terroristen of van degenen die bij terrorisme zijn betrokken.5xEen gezaghebbende definitie vindt men bij Nils Melzer als: ‘the use of lethal force by a subject of international law that is directed against an individually selected person who is not in custody and that is intentional, premeditated and deliberate.’ Nils Melzer, Targeted Killing in International Law (Oxford: Oxford University Press, 2008), 3–4. Voor een uitgebreide bespreking, zie: Wouter G. Werner, ‘Het gericht doden van individuen als instrument van terrorismebestrijding,’ Vrede en Veiligheid 36 (2007) 3: 301–18. Het wellicht bekendste voorbeeld stamt uit 2004 toen de oprichter van Hamas, Sjeik Yassin, na een moskeebezoek vanuit de lucht met raketten werd gedood. Daarbij werden ook meerdere onschuldige omstanders gedood. In het artikel worden diverse richtlijnen in de strijd tegen het terrorisme geformuleerd, maar één daarvan springt in het oog: de auteurs menen dat de plicht van de staat om de schade aan de eigen combattanten zo beperkt mogelijk te laten zijn zwaarder weegt dan de plicht van diezelfde staat om de schade te beperken voor de levens van anderen die niet bij het terrorisme betrokken zijn en niet onder de ‘effective control’ van deze staat leven.6xUit overwegingen van ruimte willen we hier niet ingaan op het begrip ‘effective control’. Er zij alleen op gewezen dat dit begrip de auteurs in staat stelt de verplichtingen van een bezettingsmacht voor burgers die woonachtig zijn in een bezet gebied anders te interpreteren dan die van Israël voor burgers woonachtig in Gaza. In The New York Review of Books reageerden Avishai Margalit en Michael Walzer scherp: het prioriteren van ‘onze’ eigen soldaten boven de veiligheid van ‘hun’ burgers is een verkeerde en gevaarlijke aantasting van het verschil tussen combattanten en non-combattanten, een essentieel onderdeel van het ‘ius in bello’.7xAvishai Margalit en Michael Walzer, ‘Israel: Civilians & Combatants,’ The New York Review of Books, 14 mei 2009. Het wordt niet helemaal duidelijk waarom Margalit en Walzer zo lang hebben gewacht met deze reactie, maar zij verwijzen wel naar een artikel in de Haaretz van begin 2009 waarin werd gesteld dat de richtlijnen van Yadlin en Kasher leidend waren geweest bij de oorlog die net in Libanon had plaatsgevonden.8xHet lijkt niet onaannemelijk dat Israel zich ook, en wellicht zelfs in versterkte mate, tijdens de Gaza-oorlog heeft laten leiden door deze regels. Verder zou men hebben kunnen verwijzen naar de uitspraak van het Hoog Gerechtshof van Israël waarin werd besloten ten gunste van de wetmatigheid van ‘targeted killings’; die beslissing wordt wel eens gezien als in lijn met het betoog van Yadlin en Kasher.9xTargeted Killings Case, HCJ 769/02; Zie ook: Thomas Mertens, ‘De hoornen van het altaar. Het Hoog Gerechtshof van Israël over “doelgericht doden”,’ in De grenzen van het goede leven, red. Olaf Tans et al. (Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2009), 117–26. In een conversatie met Mertens, te Hamburg januari 2009, verklaarde Kasher met enige trots dat het Hoog Gerechtshof hun richtlijnen ‘volledig’ had overgenomen. Israël heeft op grond van deze uitspraak ‘targeted killing’ kunnen accepteren als officieel beleid. En zij is niet de enige die naar dit wapen grijpt. Zoals bekend volgen de Verenigde Staten eenzelfde lijn. En die blijft niet beperkt tot Afghanistan (en Pakistan), waar sinds het aantreden van de regering-Obama de inzet van onbewapende militaire vliegtuigjes enorm is toegenomen. In augustus 2010 kwam naar buiten dat men zich steeds meer toelegt op het voeren van zogenaamde schaduwoorlogen. Met toestemming van het gezag in Jemen voeren de VS bijvoorbeeld specialistische militaire operaties uit, gericht op het doden van terroristen.10xScott Shane, Mark Mazzetti en Robert F. Worth, The New York Times, 15 augustus 2010, bezocht op 22 augustus 2010: <www.nytimes.com/2010/08/15/world/15shadowwar.html?_r=1&scp=1&sq=obama%20shadow&st=cse>.

      Gezien wat op het spel staat, is het niet verwonderlijk dat de afwijzing van de visie van Yadlin en Kasher door Margalit en Walzer ook weer tot reacties uitnodigde die hun weg naar The New York Review of Books vonden. Eerst reageerden Yadlin en Kasher zelf door te stellen dat hun voorstellen minder strijdig zouden zijn met het traditionele ‘ius in bello’ dan aan hen wordt verweten. Vervolgens hielden zij vol dat staten inderdaad speciale verplichtingen hebben om het leven en het welzijn van hun eigen burgers, inclusief degenen onder hen die zich onder de wapenen bevinden, en alle anderen die onder hun ‘effective control’ leven, te beschermen. Hun opponenten reageerden daar dan weer op door te stellen dat deze doctrine van ‘effective control’ volstrekt ontoereikend zou zijn en dat hun richtlijnen geen recht deden aan het moreel noodzakelijke onderscheid tussen combattanten en non-combattanten. Indien soldaten geconfronteerd worden met een situatie waarin het niet duidelijk is wie terrorist is en wie burger, dan dienen zij volgens Margalit en Walzer risico’s te nemen voor hun eigen welzijn opdat de risico’s voor burgers van de tegenpartij worden verminderd. Dat is waartoe de ‘non-combattant immunity’, met als haar keerzijde de ‘combattant equality’, verplicht. Sommigen twijfelen er echter openlijk aan of deze oude (of ouderwetse?) morele richtlijnen nog wel van kracht zijn bij het Israëlische leger.11xBrief van Zeev Sternhell, The New York Review of Books, 13 augustus 2009.

      In zijn recente boek Killing in War gaat het McMahan weliswaar niet primair om de actualiteit, maar om het doordenken van een aantal omstreden opvattingen binnen het huidige denken over de rechtvaardige oorlog, zoals die met name in Walzers werk gestalte hebben gekregen. Toch lijkt de wijze waarop hij dat doet, steun te geven aan de positie die is ingenomen door Yadlin en Kasher. Zo verlaat McMahan, niet anders trouwens dan David Rodin in zijn War and Self-defence, de opvatting, expliciet bijvoorbeeld ook bij Rousseau, dat oorlog als een conflict tussen politieke gemeenschappen gezien moet worden. De communitaristische insteek van Walzers Just and Unjust Wars is inderdaad onmiskenbaar en daarom lijkt Walzer niet alleen een recht op zelfverdediging te verdedigen, maar evenzeer een plicht daartoe.12xMichael Walzer, Just and Unjust Wars: A Moral Argument with Historical Illustrations (New York: Basic Books, 1977), 54, 71. McMahan verdedigt echter dat een oorlog een zaak is tussen individuen en dat zij enkel op grond van een rechtvaardiging anderen ‘mogen’ doden, ook als dat doden gebeurt in een collectief verband zoals in een oorlog tussen collectieve entiteiten. Een tweede aspect dat daaruit volgt en dat onmiddellijk in het oog springt bij het lezen van McMahans boek, betreft diens aanval op een ‘dogma’ van de morele gelijkheid van combattanten, zoals met name in Walzers opvatting van de rechtvaardige oorlog. Volgens dat dogma mogen combattanten elkaar in een oorlog gerechtvaardigd (en dus ‘blameless’13xWalzer, Just and Unjust Wars, 36.) doden, aan welke zijde zij ook staan, en moeten burgers uitdrukkelijk afgeschermd worden van het oorlogsgeweld. Dit onderscheid staat bekend als het discriminatiebeginsel. McMahan vindt echter op conceptuele gronden dat dit strikte onderscheid tussen combattanten en non-combattanten, zoals dat onder andere ook vastligt in het humanitaire oorlogsrecht, onhoudbaar is en dus14xHet probleem is natuurlijk of conceptuele helderheid inderdaad gelijk juridisch vertaald zou moeten worden (met dank aan een anonieme referent). gerelativeerd moet worden. Daarmee ontstaat ruimte voor een rechtvaardiging voor het maken van burgerslachtoffers, zoals in de strijd tegen terrorisme, ook al getroost McMahan zich alle moeite om die ruimte zo klein mogelijk te maken.15xZie de conclusie van McMahans hoofdstuk over Civilian Immunity and Civilian Liability.

      Zo is de kern van het meningsverschil tussen Walzers opvatting van rechtvaardige oorlog en die van McMahan een fundamenteel andere visie op wat oorlog is. Laten we beginnen met die twee verschillen om af te sluiten met de ons inziens onwenselijke consequenties van de visie van McMahan.

    • 2 Oorlog als conflict tussen staten

      Volgens Walzer is een oorlog een conflict tussen politieke gemeenschappen: ‘The war itself isn’t a relation between persons, but between political entities and their human instruments.’16xWalzer, Just and Unjust Wars, 36; het begrip ‘human instruments’ wordt ook gebruikt in: Margalit en Walzer, ‘Israel: Civilians & Combatants.’ Dit vindt dan zijn doorwerking in het scherpe onderscheid tussen de regels voor het beginnen van een oorlog (ius ad bellum) en die voor het voeren van een oorlog (ius in bello). Deze twee sets van regels zijn logisch onafhankelijk van elkaar want gericht op verschillende morele subjecten. De eerste set richt zich op de politieke gemeenschap zelf, de genoemde ‘political entities’ en degenen die haar representeren. De tweede op de individuen die als combattanten daadwerkelijk in de oorlog strijden, de ‘human instruments’. Op grond van de ius ad bellum-conventie is de oorlog een moreel asymmetrisch conflict. Wanneer partijen in een oorlog verwikkeld zijn, kan slechts één partij hiervoor een rechtvaardige reden hebben: een partij staat moreel in het gelijk en de andere is dit niet. Terwijl het zeker ook mogelijk is dat beide partijen de oorlog onrechtvaardig zijn begonnen, kunnen zij onmogelijk beide de oorlog rechtvaardig begonnen zijn.17xWalzer, Just and Unjust Wars, 21–36. In de hedendaagse invulling van de ius ad bellum-conventie is een oorlog enkel rechtvaardig begonnen wanneer die uit zelfverdediging is aangegaan of met mandaat van de Veiligheidsraad wordt gevoerd.18xOp deze hoofdregel zijn enkele uitzonderingen; denk hierbij bijvoorbeeld aan een humanitaire interventie zonder toestemming van de VN of met toestemming, maar via de Algemene Vergadering in plaats van de Veiligheidsraad (Uniting for Peace-resolutie 377).

      In tegenstelling daarmee behandelen de regels van het ius in bello de oorlog als een moreel symmetrisch conflict. De rechtvaardigheid van het ius ad bellum vertaalt zich dus niet in het ius in bello. Met andere woorden, ook al kan slechts één partij een oorlog rechtvaardig beginnen, toch kunnen de combattanten van beide partijen hem vanuit juridisch gelijke posities voeren.19xWalzer, Just and Unjust Wars, 37: ‘their war is not their crime’. De gedachte hierachter is dat het veelal een uitermate hachelijke zaak is om uit te maken welke van de politieke gemeenschappen in het conflict het morele gelijk aan haar zijde heeft, en dat geldt zeker voor degenen die ervoor moeten strijden. Beide partijen hebben er groot belang bij zowel voorafgaand aan als ten tijde van het conflict hun zaak als rechtvaardig voor te stellen en de feiten dienovereenkomstig te rangschikken. Een objectief moreel oordeel over de rechtvaardigheid van een oorlog is vaak alleen retrospectief te maken en zelfs dan is een oordeel vaak nog discutabel. Men hoeft hier alleen maar aan de Eerste Wereldoorlog te denken. De regels die tijdens de strijd zelf gelden, zijn daarom voor de individuen die hem uitvechten niet afhankelijk van het morele gelijk van de staat waarvan zij deel uitmaken. De regels ondergeschikt maken aan de rechtvaardige zaak leidt bovendien tot een ongewenste escalatie van het geweld.

      Daarom schrijft het ius in bello aan alle bij de strijd betrokken partijen dezelfde regels voor, met als uitdrukkelijk doel de oorlog zo beperkt mogelijk te houden. De conventie strekt zich uit tot de personen die bij het conflict betrokken mogen zijn en tot de middelen die mogen worden ingezet. Volgens deze opvatting mag een persoon enkel object van oorlogsgeweld worden indien hij een bedreiging vormt voor de wederpartij. Hierbij gaat het echter niet om een concrete bedreiging, maar om de geïnstitutionaliseerde bedreiging, om zijn status. Als een individu zich ten tijde van een oorlog onderscheidt als strijder en de wapens ter hand neemt, is dat voldoende om aangemerkt te worden als combattant. Aangezien elke strijder een dergelijke geïnstitutionaliseerde bedreiging is, kunnen strijders elkaar gerechtvaardigd doden.20xIn diens weergave: McMahan, Killing in War, 11. Dit wordt uitgedrukt in de zogenaamde morele gelijkheid van combattanten. Burgers, die niet de wapens ter hand nemen, hebben een andere status, vormen geen bedreiging en mogen daarom geen (direct) voorwerp zijn van oorlogsgeweld. Zij worden aangemerkt als non-combattanten en zijn moreel immuun voor een aanval op hun leven. Dit principe staat bekend als de non-combattantenimmuniteit. Voorts, maar dat is hier nu minder belangrijk, probeert het ius in bello ook wat betreft de middelen een matigend effect te hebben door ook daar restricties aan te brengen.

      De ius in bello-regels hebben hun weerslag gevonden in het humanitaire oorlogsrecht, waarbij de centrale regel luidt dat strijders zich moeten onderscheiden van de burgerbevolking door het openlijk dragen van hun wapens en van een uniform.21xArtikel 4, Derde Conventie van Geneve (1949). Leeft men als soldaat deze regels na, dan wordt men aangemerkt als ‘legaal’ combattant en daaruit vloeien in bijzondere omstandigheden ook privileges voort, zoals een status als krijgsgevangene.22xDaarbij moet natuurlijk worden aangetekend dat het omstreden onderscheid tussen legale en illegale combattant van recente datum is, ook al wordt in de Amerikaanse literatuur en jurisprudentie teruggegrepen op oudere casussen, zoals Ex Parte Milligan en Ex Parte Quirin.

    • 3 Oorlog als conflict tussen individuen

      Het uitgangspunt van McMahan is radicaal anders. Oorlog is en blijft volgens McMahan een zaak van individuen. Aangezien elk individu het recht op leven heeft dat universeel en onvervreemdbaar is, mag hij niet zomaar gedood worden. Een individu kan alleen het recht op leven verliezen wanneer hij moreel verantwoordelijk – ‘aansprakelijkheid’ is voor McMahan het centrale begrip – is voor een ongerechtvaardigde bedreiging van het leven van een ander individu. Volgens McMahan maakt het niet uit of individuen zich in een toestand van oorlog of juist van vrede bevinden. Het zou immers vreemd zijn indien de verandering van de ene toestand in de andere het verbod om te doden zou doen veranderen in een ‘licence to kill’. McMahan houdt dus de geclaimde gelijkheid van combattanten voor een moreel incoherente gedachte. Zijn redenering is als volgt: wanneer een persoon met het leven wordt bedreigd door een crimineel, dan heeft de bedreigde het recht zichzelf te verdedigen. Maar wanneer hij zich vervolgens daadwerkelijk gaat verdedigen, ontstaat niet plotsklaps een wederzijds recht om elkaar te doden. De morele status van de aangevallene en van de aanvaller is niet gelijk. Immers de aansprakelijkheid (schuld) voor de ontstane situatie ligt bij de crimineel; door de door hem gecreëerde onrechtvaardige dreiging heeft hij zijn recht om niet gedood te worden verloren, maar dat geldt niet voor de aangevallene. Deze heeft niets gedaan om zijn recht op leven te verliezen. In de relatie tussen crimineel en aangevallene heeft slechts één kant het recht tot het gebruik van geweld, namelijk degene die zich verdedigt. Analoog geredeneerd hebben de soldaten van land A dat zich verdedigt tegen een ongerechtvaardigde aanval van (de soldaten van) land B, wel het recht om soldaten van land B te doden, maar de soldaten van A niet het omgekeerde recht. Land A en diens soldaten hebben niets gedaan om hun rechten te verliezen. Dus: combattanten mogen enkel en alleen maar gedood worden, indien zij op een ongerechtvaardigde manier het recht van de tegenstander hebben geschonden.23xCécile Fabre, ‘Guns, Food, and Liability to Attack in War,’ Ethics 120 (2009): 46–7.

      De doctrine van de morele gelijkheid van combattanten stelt echter precies het omgekeerde. Daar staat niet de ‘aansprakelijkheid’ voor een ongerechtvaardigde schending van een recht centraal, maar de enkele ‘bedreiging’ of die nu gerechtvaardigd is of niet. Daarmee worden zowel aan de crimineel, in dit geval de ‘criminele staat’, als aan zijn slachtoffer, de door hem aangevallen staat, evenveel recht toegekend om soldaten te doden. Hier wringt zich volgens McMahan duidelijk de morele schoen. In zijn optiek toont de analogie aan dat enkel de soldaat die zich inzet voor een rechtvaardige zaak het recht heeft om te doden en niet de soldaat die niet over zo’n rechtvaardiging beschikt.24xMcMahan, Killing in War, 35. Daarmee komt tegelijk ook de opvatting dat er een strikt onderscheid bestaat tussen combattanten en non-combattanten op basis van het feit dat van de eersten wel en van de laatsten geen ‘bedreiging’ uitgaat, in een ander daglicht te staan. Het recht om niet gedood te worden kan men enkel verliezen door een onrechtvaardige handeling, en dat geldt voor soldaten die een onrechtvaardige oorlog voeren, maar ook voor burgers die daartoe – zeker in het geval van een democratie – politiek hebben besloten. In principe mogen individuen dus in een oorlog (gerechtvaardigd) gedood worden als zij in voldoende mate aansprakelijk zijn voor een onrechtvaardige bedreiging. Er kan dus geen scherp onderscheid gemaakt worden tussen het ius ad bellum en het ius in bello. De morele gelijkheid van combattanten is onhoudbaar.

      Daarom staan soldaten, maar ook burgers volgens McMahan, onder de morele verplichting zich ervan te vergewissen dat zij in een conflict tot de rechtvaardige partij behoren. Wanneer zij de vraag of dat zo is niet positief kunnen beantwoorden, zouden ze moeten weigeren om zich in de strijd te mengen, omdat zij anders immoreel handelen. De doctrine van de morele gelijkheid van combattanten is volgens McMahan juist daarom een gevaarlijke doctrine, omdat zij de noodzaak voor individuen om een dergelijke beslissing te nemen overbodig maakt. Ongerechtvaardigde oorlogen zullen alleen gevochten worden als er genoeg mensen zijn die hem willen vechten. Door iedere combattant te vrijwaren van morele schuld als hij zich aan de regels van het oorlogsrecht houdt, speelt men kwaadwillende regeringen in de kaart die mensen rekruteren om voor haar onrechtvaardige doelstellingen te strijden.25xIbid., 6.

      Een oorlog kan daarom beter beschouwd worden als een conflict tussen individuen die strijden voor een rechtvaardige zaak en individuen die dat niet doen, of, vaker nog, tussen individuen die wederzijds strijden voor een onrechtvaardige zaak.26xIbid., 142–3: aspirant-soldaten kunnen beter het zekere voor het onzekere nemen en er in principe van uitgaan dat de oorlog waarvoor zij dreigen te worden ingezet, onrechtvaardig is. Een staat of politieke entiteit kan dan niet meer optreden als morele buffer; elk individu binnen de staat, of hij nu strijder is of niet, draagt in meer of mindere mate de schuld en/of verantwoordelijkheid voor de eventueel ongerechtvaardigde dreiging die van hem uitgaat. Volgens McMahan mag een individu in een oorlog alleen worden gedood als hij in voldoende mate aansprakelijk is voor deze onrechtvaardige dreiging. Natuurlijk is dat niet altijd gemakkelijk aan te tonen en spelen niet alleen de begrippen schuld, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid een rol, maar ook het complex van (gedeeltelijke) schulduitsluitingsgronden en rechtvaardigingsgronden. Daarom besteedt hij gedetailleerd aandacht aan ‘justifications’ en ‘excuses’, op grond waarvan aansprakelijkheid per individu kan verschillen.27xIbid., hoofdstukken 3 en 4. McMahan gaat onder andere in op psychologische dwang en het epistemische probleem dat voortvloeit uit het gebrek aan kennis over het conflict. Een verminderde aansprakelijkheid voor de onrechtvaardige dreiging betekent niet dat een ongerechtvaardigd aangevallen partij niet meer bevoegd zou zijn om zich te verdedigen, maar wel dat zij een proportionaliteitsafweging moet maken. De omvang en de intensiteit van het tegengeweld moet worden afgestemd op de mate van aansprakelijkheid voor de onrechtvaardige dreiging. McMahan beperkt evenwel de toerekening van schuld en verantwoordelijkheid niet tot de individuen die daadwerkelijk de wapens ter hand nemen. Naast soldaten zijn immers ook burgers aansprakelijk voor de onrechtvaardige dreiging.

    • 4 Consequenties

      Wat zijn de gevolgen voor soldaten en burgers van deze voorgestelde paradigmawisseling? McMahan geeft een fictief voorbeeld dat is ontleend aan een echt conflict.28xIbid., 194. Tijdens de Eerste Golfoorlog vochten de door de VS geleide coalitietroepen zowel tegen de Iraakse Republikeinse Garde als tegen reguliere Iraakse troepen. De Republikeinse Garde was een goedbetaald, loyaal elitecorps, terwijl de reguliere troepen bestonden uit vaak (onvrijwillige) dienstplichtigen. Van deze verschillende troepen gaat wellicht eenzelfde dreiging uit, maar zij zijn niet in een gelijke mate aansprakelijk voor die ongerechtvaardigde bedreiging. De reguliere troepen kunnen zich beroepen op verontschuldigende omstandigheden, terwijl de aansprakelijkheid van de Republikeinse Garde veel zwaarder weegt. Volgens McMahan moesten de coalitietroepen hun geweld waar mogelijk op deze verschillende mate van aansprakelijkheid afstemmen. Tegen een soldaat die er willens en wetens voor kiest een onrechtvaardige oorlog te voeren, kan een zwaarder geweldsmiddel worden ingezet dan tegen een slecht geïnformeerde dienstplichtige soldaat. Het is echter zeer de vraag hoe in de praktijk hieraan betekenis kan worden gegeven en of soldaten hier rekening mee kunnen of willen houden.

      Als aansprakelijkheid het criterium is, dan kunnen burgers er niet van uitgaan dat zij automatisch immuun zijn, aangezien zij politiek verantwoordelijk kunnen zijn voor een ongerechtvaardigde dreiging. Er zijn veel manieren waarop burgers verantwoordelijkheid kunnen dragen; men hoeft niet alleen te denken aan de politieke besluitvormers, maar ook aan hen die boeken, artikelen of commentaren schrijven waarin de oorlog wordt aangeprezen of die het nalaten acties te ondernemen die voorkomen dat een regering tot oorlog overgaat.29xIbid., 214. Volgens McMahan hebben burgers de verantwoordelijkheid om hun staat ervan te weerhouden een onrechtvaardige oorlog te starten om de simpele reden dat zij aan deze institutie het bestaansrecht verlenen.30xIbid., 215. Men kan zich afvragen wat dit voor gevolgen heeft. Wordt daarmee de deur opengezet naar het rechtvaardigen van aanvallen op burgers, zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog met bombardementen op onder andere Dresden, en Hiroshima en Nagasaki? In principe lijkt McMahan deze mogelijkheid niet uit te uitsluiten, maar in de praktijk doet hij dat wel. Een dergelijk bombardement maakt geen onderscheid tussen de volledig onschuldige en (gedeeltelijk) schuldige burgers. Voorts is er de disproportionaliteit tussen het hevige geweld en de lage graad van schuld en verantwoordelijkheid die een burger draagt voor de onrechtvaardige oorlog.31xIbid., 231. Toch is er in diens theorie geen ruimte voor een algemene immuniteit van burgers zoals wel het geval is in de opvatting van Walzer.

      Ook volgens Walzer is die immuniteit niet absoluut. Volgens de doctrine van het dubbele effect levert het risico dat tijdens een aanval op een militair doel burgerslachtoffers vallen, een extra verplichting voor de aanvaller op. Deze moet zich ervan vergewissen dat het ‘positieve’ effect dat wordt bereikt groter is dan het ‘negatieve’ effect van de nevenschade,32xWalzer, Just and Unjust Wars, 153. en hij moet bereid zijn extra risico op zich te nemen om burgerdoelen te vermijden. In deze theorie moet het eventuele doden van burgers opgevat worden als nevenschade die altijd een kwaad blijft. McMahan ziet dit anders: het onderscheid tussen al dan niet aansprakelijk zijn trekt andere grenzen dan die tussen combattanten en non-combattanten. Hoewel aansprakelijkheid onvoldoende is voor een direct aanvallen van burgers, is het niet zo dat het eventueel doden van burgers altijd een ‘kwaad’ is.

      ‘Sometimes when a person is harmed either accidentally or as a foreseen but unintended effect, he is not thereby wronged. For he may have acted in such a way as to have deprived himself of any justified complaint against being harmed in that way.’33xMcMahan, Killing in War, 219.

      Wat dit betekent, illustreert McMahan aan de hand van een casus op basis van de Libanonoorlog. In 2006 vuurden leden van Hezbollah vanuit Libanon duizenden raketten af op burgerdoelen in het noorden van Israël. Veel van de raketten werden gelanceerd vanuit Libanese dorpen en toen Israël militaire acties ondernam om nieuwe aanvallen te voorkomen, werden vele Libanese burgers gedood. Stel, zo zegt McMahan, dat deze Libanese burgers hadden kunnen protesteren of met andere manieren hadden kunnen voorkomen dat leden van Hezbollah hun dorp als lanceerbasis gebruikten, of stel dat zij de daden van Hezbollah goedkeurden. In dat geval is het doden van die burgers gerechtvaardigd, als het neveneffect van de rechtvaardige tegenaanval:

      ‘For by hypothesis – again, I do not claim that this was actually the case – they contributed to making retaliatory attacks necessary for the defense of innocent people by allowing the initial wrongful attacks to be launched from sites located near where they lived.’34xIbid., 220–1. Merk op dat McMahan hier spreekt over ‘onschuldige mensen’, uiteraard aan de zijde van Israël.

      De alternatieve interpretatie van de ‘rechtvaardige oorlog’ heeft ook implicaties voor de oorlog zelf. Volgens Walzer moet de term ‘oorlog’ voorbehouden blijven voor conflicten tussen staten of politieke entiteiten. Maar met name sinds het begin van de ‘Global War on Terror’ lijkt dat niet langer houdbaar. Het begrip ‘oorlog’ in GWOT is niet metaforisch of retorisch bedoeld, zoals in de ‘War on Drugs’ of, recentelijk, de ‘War on Oil Spill’. De ‘oorlog tegen terrorisme’ wordt wel degelijk met militaire middelen gevoerd. Het onderscheid tussen vredes- en oorlogstijd is in Walzers theorie van de rechtvaardige oorlog van essentieel belang: enkel tijdens de oorlog kunnen combattanten direct worden gedood zonder rekening te houden met vragen van individuele aansprakelijkheid zoals in het civiele straf- en strafprocesrecht. Maar in de oorlog tegen het (voor velerlei interpretatie vatbare begrip) terrorisme verdwijnt het scherpe onderscheid tussen de toestand van vrede en die van oorlog. Binnen McMahans theorie wordt aan het onderscheid tussen oorlog en vrede minder moreel belang gehecht, aangezien de situatie tussen een ongerechtvaardigde aanval van een individu op een ander individu niet moreel significant verschilt van een ongerechtvaardigde aanval van land A of organisatie A op land B. Het gaat om de vraag of een individu of een groep individuen aansprakelijk is voor een onrechtvaardige inbreuk of de dreiging daarmee. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om zware militaire middelen te gebruiken om terroristische aanslagen te voorkomen, of het nu een tijd van vrede is of van oorlog. Militaire operaties zoals ‘schaduwoorlogen’ en ‘targeted killings’ kunnen aldus worden gerechtvaardigd. Een terroristische daad of bedreiging is immers ongerechtvaardigd, zowel van de zijde van de daadwerkelijke of beoogde dader, als ook van degenen die er indirect bij betrokken zijn. Burgers die bewust geen afstand nemen van terroristen, nemen daarmee het risico op zich om aangevallen worden. Door de symmetrie van strijdende partijen op te geven is ook goed te verklaren dat terroristen niet dezelfde (combattanten)rechten hebben als de soldaten die hen proberen te stoppen. Door de nadruk niet te leggen op bedreiging, maar op aansprakelijkheid kan de morele asymmetrie tussen terroristen en soldaten verklaard worden.

    • 5 Conclusie

      Na de aanslagen van 11 september sprak Michael Walzer over de triomf van de theorie van de rechtvaardige oorlog.35xMichael Walzer, ‘The Triumph of Just War Theory (and the Dangers of Success),’ Social Research: An International Quarterly 69 (2002) 4: 925­43. Maar hij maakte niet duidelijk welke theorie dat was: de traditionele theorie die uitgaat van aansprakelijkheid voor een dreiging of een aanval bij degenen die geen rechtvaardige oorzaak hebben, zoals bij Augustinus of Hugo Grotius, en zoals nu McMahan; of de meer moderne theorie, met Walzer als exponent, die zich de moderne, negentiende-eeuwse scheiding van het ius ad bellum en het ius in bello eigen heeft gemaakt.36xVoor een fraaie beschrijving van die beweging, zie: Stephen C. Neff, War and the Law of Nations (Cambridge: Cambridge University Press, 2005), 186–90. McMahan stelt de zinnige vraag: waarom gelden tijdens een oorlog andere morele regels, met name ten aanzien van de bescherming van het recht op leven, dan in vredestijd? Zijn antwoord is dat dit niet het geval is, wanneer men het individu tot uitgangspunt neemt, ook als men over oorlog nadenkt. In de tot in detail uitgewerkte voorbeelden beschrijft McMahan hoe elk individu zich telkens moet afvragen of hij zich wel voor een rechtvaardige zaak inzet, als burger of als militair. Daarmee stelt hij hoge eisen aan de morele afwegingen van mensen in vaak onoverzichtelijke situaties waarin zij bovendien kwetsbaar zijn.

      Op velen komt het communitaristische alternatief van Walzer wellicht weinig aantrekkelijk over. Toch is er het nodige te zeggen voor een versie van de rechtvaardige oorlog die de moderne scheiding van ius ad bellum en ius in bello accepteert. De onafhankelijkheid van het humanitaire oorlogsrecht berust op de veronderstelling dat een mens in sommige situaties, zeker als hij onder de wapenen is, simpelweg niet in staat is, zelfs als hij van goede wil zou zijn, om de juiste morele afwegingen te maken. Een oorlogstheorie die berust op de asymmetrie van een rechtvaardige oorzaak en de afwezigheid ervan, vraagt om een ambitieus gedachte-experiment dat van weinig realisme getuigt. Bovendien bestaat een oorlog niet uit een al dan niet rechtvaardig doel, maar uit een veelvoud aan doelen en middelen, sommige wellicht gerechtvaardigd, sommige wellicht niet. Zoals gezegd, is het immer omstreden wie binnen het grotere plaatje het recht aan zijn zijde heeft.37xDaarom is het instructief de voorbeelden van oorlogen na te gaan die volgens McMahan met een rechtvaardig doel werden gevoerd, zoals de genoemde Libanonoorlog en de Kosovo-oorlog. Maar zou McMahan bereid zijn raketaanvallen van Hezbollah op burgerdoelen als legitiem te aanvaarden wanneer die burgers zich onvoldoende tegen de bezettingspolitiek van Israel verzetten, of tegen de muur? (met dank aan dezelfde referent). Daarom moet alleen al om prudentiële redenen aan dat onderscheid worden vastgehouden. Als strijdende partijen het er nooit over eens zijn wie de rechtvaardige partij is, kan beter worden vastgehouden aan het onderscheid tussen combattanten en non-combattanten waarmee beide het wel eens kunnen zijn en die zijn vastgelegd in het internationale recht. Door het ius in bello ondergeschikt te maken aan het ius ad bellum komt het universele belang bij het in bedwang houden van de oorlog in het gedrang. Bij zijn beoordeling van McMahan had Walzer wellicht ongelijk toen hij diens opvatting irrelevant noemde, maar men kan wel volhouden dat zij moreel onwenselijk is.

    Noten

    • 1 Jeff McMahan, Killing in War (Oxford: Clarendon Press, 2009).

    • 2 Michael Walzer, ‘Response to McMahan’s Paper,’ Philosophia 34 (2006): 43­45.

    • 3 Wij zijn niet de enigen die dat denken, zie: <www.jeremiahhaber.com/2009/04/michael-walzers-proxy-war-against-jeff.html>.

    • 4 Asa Kasher en Amos Yadlin, ‘Assassination and Preventive Killing,’ SAIS Review XXV (2005) 1.

    • 5 Een gezaghebbende definitie vindt men bij Nils Melzer als: ‘the use of lethal force by a subject of international law that is directed against an individually selected person who is not in custody and that is intentional, premeditated and deliberate.’ Nils Melzer, Targeted Killing in International Law (Oxford: Oxford University Press, 2008), 3–4. Voor een uitgebreide bespreking, zie: Wouter G. Werner, ‘Het gericht doden van individuen als instrument van terrorismebestrijding,’ Vrede en Veiligheid 36 (2007) 3: 301–18.

    • 6 Uit overwegingen van ruimte willen we hier niet ingaan op het begrip ‘effective control’. Er zij alleen op gewezen dat dit begrip de auteurs in staat stelt de verplichtingen van een bezettingsmacht voor burgers die woonachtig zijn in een bezet gebied anders te interpreteren dan die van Israël voor burgers woonachtig in Gaza.

    • 7 Avishai Margalit en Michael Walzer, ‘Israel: Civilians & Combatants,’ The New York Review of Books, 14 mei 2009.

    • 8 Het lijkt niet onaannemelijk dat Israel zich ook, en wellicht zelfs in versterkte mate, tijdens de Gaza-oorlog heeft laten leiden door deze regels.

    • 9 Targeted Killings Case, HCJ 769/02; Zie ook: Thomas Mertens, ‘De hoornen van het altaar. Het Hoog Gerechtshof van Israël over “doelgericht doden”,’ in De grenzen van het goede leven, red. Olaf Tans et al. (Nijmegen: Ars Aequi Libri, 2009), 117–26. In een conversatie met Mertens, te Hamburg januari 2009, verklaarde Kasher met enige trots dat het Hoog Gerechtshof hun richtlijnen ‘volledig’ had overgenomen.

    • 10 Scott Shane, Mark Mazzetti en Robert F. Worth, The New York Times, 15 augustus 2010, bezocht op 22 augustus 2010: <www.nytimes.com/2010/08/15/world/15shadowwar.html?_r=1&scp=1&sq=obama%20shadow&st=cse>.

    • 11 Brief van Zeev Sternhell, The New York Review of Books, 13 augustus 2009.

    • 12 Michael Walzer, Just and Unjust Wars: A Moral Argument with Historical Illustrations (New York: Basic Books, 1977), 54, 71.

    • 13 Walzer, Just and Unjust Wars, 36.

    • 14 Het probleem is natuurlijk of conceptuele helderheid inderdaad gelijk juridisch vertaald zou moeten worden (met dank aan een anonieme referent).

    • 15 Zie de conclusie van McMahans hoofdstuk over Civilian Immunity and Civilian Liability.

    • 16 Walzer, Just and Unjust Wars, 36; het begrip ‘human instruments’ wordt ook gebruikt in: Margalit en Walzer, ‘Israel: Civilians & Combatants.’

    • 17 Walzer, Just and Unjust Wars, 21–36.

    • 18 Op deze hoofdregel zijn enkele uitzonderingen; denk hierbij bijvoorbeeld aan een humanitaire interventie zonder toestemming van de VN of met toestemming, maar via de Algemene Vergadering in plaats van de Veiligheidsraad (Uniting for Peace-resolutie 377).

    • 19 Walzer, Just and Unjust Wars, 37: ‘their war is not their crime’.

    • 20 In diens weergave: McMahan, Killing in War, 11.

    • 21 Artikel 4, Derde Conventie van Geneve (1949).

    • 22 Daarbij moet natuurlijk worden aangetekend dat het omstreden onderscheid tussen legale en illegale combattant van recente datum is, ook al wordt in de Amerikaanse literatuur en jurisprudentie teruggegrepen op oudere casussen, zoals Ex Parte Milligan en Ex Parte Quirin.

    • 23 Cécile Fabre, ‘Guns, Food, and Liability to Attack in War,’ Ethics 120 (2009): 46–7.

    • 24 McMahan, Killing in War, 35.

    • 25 Ibid., 6.

    • 26 Ibid., 142–3: aspirant-soldaten kunnen beter het zekere voor het onzekere nemen en er in principe van uitgaan dat de oorlog waarvoor zij dreigen te worden ingezet, onrechtvaardig is.

    • 27 Ibid., hoofdstukken 3 en 4.

    • 28 Ibid., 194.

    • 29 Ibid., 214.

    • 30 Ibid., 215.

    • 31 Ibid., 231.

    • 32 Walzer, Just and Unjust Wars, 153.

    • 33 McMahan, Killing in War, 219.

    • 34 Ibid., 220–1. Merk op dat McMahan hier spreekt over ‘onschuldige mensen’, uiteraard aan de zijde van Israël.

    • 35 Michael Walzer, ‘The Triumph of Just War Theory (and the Dangers of Success),’ Social Research: An International Quarterly 69 (2002) 4: 925­43.

    • 36 Voor een fraaie beschrijving van die beweging, zie: Stephen C. Neff, War and the Law of Nations (Cambridge: Cambridge University Press, 2005), 186–90.

    • 37 Daarom is het instructief de voorbeelden van oorlogen na te gaan die volgens McMahan met een rechtvaardig doel werden gevoerd, zoals de genoemde Libanonoorlog en de Kosovo-oorlog. Maar zou McMahan bereid zijn raketaanvallen van Hezbollah op burgerdoelen als legitiem te aanvaarden wanneer die burgers zich onvoldoende tegen de bezettingspolitiek van Israel verzetten, of tegen de muur? (met dank aan dezelfde referent).

Citation format

Would you like to cite a publication in the Netherlands Journal of Legal Philosophy? You could do this in the following way:

Christoph Kletzer, ‘Absolute Positivism’, NJLP 2013/2 p. 87-99


Print this article